Allerheiligen
Liva Elders is in de bergen van Frankrijk opgegroeid, in een trust van funeraire bedrijven. Zij heeft traumatische herinneringen aan Allerheiligen.
Morgen is het Allerheiligen. In Frankrijk: la Toussaint. In Nederland mag het op minimale belangstelling rekenen, in mijn geboortebergen was het heel anders gesteld. Daar was la Toussaint HUGE.
Het lijkt wel alsof hoe armer de mensen zijn, hoe meer belang ze hechten aan hun laatste verblijfplaats. Zie de peperdure paleizen van graniet van de Roma-community op de Nieuwe Ooster. Ronduit onnederlandse pracht en praal.
Zo ook in mijn bergen.
De armste weduwen trokken buidels gouden munten van onder hun stromatrassen om Tajmahal-achtige bouwsel bij mijn vader te bestellen. Een kwestie van status. En van prioriteiten. Van statusprioriteiten.
Ik ben geboren in een familie waar werkelijk iedereen al generaties in de funeraire beroepen zat. Zo erg dat op mijn eerste dag in groep 3 op een nieuwe school, bij de vraag om mijn beroepswens, de hele (voor mij nog volstrekt onbekende) klas in koor “CHIRURG” riep, met erachteraan: “Zodat ze de doden aan haar familie kan doorspelen.” #truestory.
La Toussaint dus. De dag van de doden. Voor de hele familie was dat hét hoogtepunt van het jaar. De graven moesten er namelijk op 1 november pico bello uitzien. Tot die in steen gehakte deadline was het derhalve stressen geblazen bij mijn vader die de graven maakte, bij mijn oma die grafbenodigdheden verkocht en bij mijn moeder bij wie klanten hun pot chrysanthemum bestelden.
Zodra ik kon lopen moest ik helpen.
Ik sjouwde me een ongeluk naar de begraafplaats met zakken grint die meer wogen dan ikzelf, met granieten naamborden/vazen/platen en met potten menshoge chrysanthemums die ik eerder op de stijfbevroren stoep voor mijn moeders winkel had staan verkopen. Ik holde van mijn oma’s winkel naar mijn moeders, en van mijn moeders naar de werkplaats van mijn vader.
Al werk ik al 30 jaar in de uitvaartwereld, ik vergeet tegenwoordig telkens deze gekte. Het speelt namelijk niet in Nederland. Tot ik rond deze tijd van het jaar een van mijn zussen, die zelf, hun mannen of allebei, namelijk nog diep in die wereld zitten, probeer uit te nodigen. Dan krijg ik de deksel lelijk op mijn neus, en spreekt hun verbijstering om mijn afstand tot het fenomeen boekdelen.